Geschreven door Jacques Smeets | maandag, 20 februari 2012 12:27 | Laatst aangepast op maandag, 20 februari 2012 12:28
Zomaar een doordeweekse dag.
08:30 uur. Briefing bij de districtelijke recherche.
Leidinggevenden, rechercheurs, afd. casescreening en werkvoorbereiding, administratieve ondersteuning, criminele inlichtingen eenheid, en infodesk wisselen informatie aan elkaar uit. Er wordt verteld wat zich zoal de afgelopen 24 uur in het district heeft afgespeeld qua criminaliteit. Er wordt aandachtig geluisterd en af en toe hoor je wat gemompel zoals : “zou die of die weer bezig zijn?
Er zijn de afgelopen nacht een paar mensen aangehouden. Die moeten door de recherche worden verhoord. Enkele lichtere zaken gaan naar A-zaken of terug naar het blauw. Lopende zaken worden doorgenomen. Van de zaken die de vorige dag aan de orde waren, wordt bekeken wat voor werk er nog aan verricht moet worden en door wie. Enkele oudere zaken moeten eigenlijk dringend worden opgepakt en afgehandeld, er worden prioriteiten gesteld.
Opeens wordt er tegen mij gezegd: “pak jij de mishandeling op?”
Ik voel een lichte boosheid en verontwaardiging opkomen en sputter nog wat tegen:
"Maar ehh…luister eens, ik heb al een paar keer geprobeerd om die andere dossiers af te maken, maar telkens komt er weer iets nieuws tussen. Ik krijg niet de gelegenheid om die zaken weg te werken. Ik heb van de afgelopen 8 dagen er 7 gewerkt en daarbij kwamen ook nog eens een stuk of 7 overuren. Ik trek het even niet meer, ik ben toe aan wat rust”.
“Ja, dat weten we wel, maar dat geldt voor ons allemaal, we zijn allemaal wel eens aan rust toe, de aangehouden en in verzekering gestelde verdachten moeten nu eenmaal weggewerkt worden, er moeten prioriteiten worden gesteld, het OM zit te wachten op de stukken”, is de reactie.
Ik herpak me en ga met enige tegenzin aan het werk.
Voor een doorsnee rechercheur is dit dagelijkse kost.
Wat heeft dit dan met werkdruk te maken?
Alles!
Want het telkens opnieuw moeten bijstellen van prioriteiten, zaken die voor de politie misschien niet zo belangrijk lijken, maar wel voor anderen, worden aan de kant gelegd. Mensen gaan er dan over bellen en stellen vragen. Zij voelen zich al snel van het kastje naar de muur gestuurd of niet serieus genomen. De rechercheur raakt licht geïrriteerd. De zaken stapelen zich op, het openbaar ministerie wil zo volledig mogelijke dossiers tijdens voorgeleidingen, die weer aan termijnen verbonden zijn. Aangevers en getuigen moeten meestal aanvullend of opnieuw worden verhoord.
Vaak is het zo dat de informatie die direct na de gebeurtenis wordt aangereikt, te weinig bewijsmateriaal bevat om tot een voorgeleiding bij de rechter-commissaris te komen en dus moet er koortsachtig worden verzameld.
Het gebeurt regelmatig dat collega's in het blauw die de avond of nacht daarvóór bij een zaak betrokken zijn, een slaapdag hebben of vrij zijn, desondanks zal het nodige op schrift gesteld moeten worden.
Als rechercheur loop je vervolgens het risico dat je overdag nauwelijks in staat bent geweest om de een of andere zaak af te handelen en in te leveren, om de avond of de nacht erop volgend opgeroepen wordt om een eerste onderzoek te doen in zaken, die zich dán voordoen. Dat zijn de piketdiensten die tussen de bedrijven door een aantal keer per 4-weekse periode gedraaid moeten worden
Als rechercheur kwam ik regelmatig bij emotionele gebeurtenissen, zoals lijkvindingen (in de meest vreselijke omstandigheden), huiselijk geweld, zedenmisdrijven en ernstige geweldsmisdrijven, om daar mijn beste beentje voor te zetten. Ik was immers de professional, waarvan werd verwacht dat ik me niet te veel liet meeslepen in de emoties, want dat kwam het onderzoek niet ten goede. Beheersing, objectiviteit en professionaliteit zijn de sleutelwoorden voor een rechercheur.
Alsof dat nog niet genoeg is, moest ik ook nog voldoen aan de verplichtingen van de integrale beroepsvaardigheid trainingen (IBT). Ik moet de bokkenpoot, de haak, de trap- en stoottechnieken, schietoefeningen, de benaderingstechnieken gevaarlijke verdachten enz. beheersen en een aantal keren per jaar werd ik verplicht getoetst.
O ja, natuurlijk had ik ook nog een privé-leven.
Gelukkig voor mij liep dat op rolletjes, ik kreeg nauwelijks te maken met een relatieprobleem. Mijn ouders en twee schoonzussen stierven, ik werd een paar keer ernstig ziek, maar wist me er doorheen te slaan. Financiële problemen heb ik niet gekend en mijn zoon is goed terechtgekomen. Ik heb mijn pensioen gerechtigde leeftijd bereikt en ben (weer) gezond. Gelukkig maar, want de lichamelijke en geestelijke problemen waarmee ik te kampen kreeg, waren niet van de lucht. Het had zomaar totaal anders kunnen zijn gelopen.
De ene rechercheur is niet de andere, de een kan meer werk en ellende aan dan de ander. Er zijn er die loyaal zijn, anderen gooien constant de kont tegen de krib. Door de jaren heen heb ik naar mijn gevoel veel te veel collega's gezien, die tegen hun psychische grens aan zaten en bij sommigen brak het lijntje definitief.
Moet je dat iemand kwalijk nemen? Natuurlijk niet.
En toch vindt het werk doorgang, want er zijn nog altijd voldoende mensen die de druk wel aankunnen.
Voor de mensen in het blauw geldt in feite hetzelfde, alleen zijn de werkzaamheden wat anders en…zij zitten natuurlijk nog dichter op(levens)bedreigende en ellendige situaties. De huidige tijdsgeest maakt het er voor dienders en rechercheurs niet gemakkelijker op. Werkdruk, geweld en ellende nemen toe en als klap op de vuurpijl doet de Centrale Raad voor Beroep de uitspraak dat PTSS bij politiemensen zelden werkgerelateerd is. Volgen de Raad is er pas sprake van een beroepsziekte als zich tijdens het uitoefenen van het beroep aantoonbaar buitensporige werkzaamheden of omstandigheden hebben voorgedaan die de aandoening kunnen hebben veroorzaakt. Zo'n uitspraak kan alleen gedaan zijn door mensen die nooit tegenover een agressieve menigte hebben gestaan of geconfronteerd werden met zeer ernstig leed.
Ik heb in beide functies langdurig gewerkt en kan mij derhalve een ervaringsdeskundige noemen. Voor mij is die uitspraak onbegrijpelijk en vooral onaanvaardbaar.
Eén vraag heb ik mij vaak gesteld en dat is waarom ik diezelfde werkdruk door de loop der jaren anders heb ervaren. Er moest iets met mij zelf gebeurd zijn, maar wat? Wat was er in mij veranderd?
Ik denk dat het een soort bewustwordingsproces is geweest, ik kwam tot het besef dat ik in al die jaren muren heb moeten afbreken, angsten moest overwinnen, conflicten ben aangaan, dat ik mezelf kwetsbaar opstelde, ziek werd en weer herstelde, maar bovenal heb ik mijn openheid, eerlijkheid en oprechtheid naar boven moeten halen. Die zaten heel diep verborgen achter een masker van cynisme, afkeer, weerstand en sarcasme.
Ik vermoed dat ik op een bepaald moment de karikatuur van m’n eigen persoonlijkheid ontdekte.
Misschien ligt daar de oplossing voor mensen die zich zich opgebrand voelen of psychisch in ernstige nood zijn geraakt. Om die bron bij jezelf te ontdekken is moed nodig, want ik kan je verzekeren, het is geen prettige manier om de innerlijke rust te hervinden. Ik wou dat ik een andere manier had gevonden. Achteraf gezien ben ik tot de conclusie gekomen dat het de moeite waard is geweest. Voor mij tenminste.
Maar ja, dat is achteraf gepraat. Werkdruk blijft werkdruk en die zal altijd voor iedereen verschillend zijn.