Geschreven door Jacques Smeets | zaterdag, 25 december 2010 13:43
Er zijn van die gebeurtenissen in iemands leven, die nooit meer worden vergeten, zeker als ze een diepe indruk hebben gemaakt.
Als iemand slachtoffer van een misdrijf is geworden, kan dat het leven van die persoon en dat van zijn of haar omgeving drastisch veranderen. Het lijkt daarom zinvol om hier eens bij stil te blijven staan.
Wij hebben dagelijks te maken met daders en slachtoffers.
Niet ieder misdrijf wordt even ernstig opgevat, zowel door de burger als door de politie.
Het hangt van de ernst van het feit af hoe slachtoffers en daders worden benaderd.
Eén zaak is voor de meesten onder ons wel duidelijk: datgene wat de dader het slachtoffer aandoet is verkeerd of abnormaal en moet daarom bestraft worden. Als er sprake is van onderling geweld in de criminele sfeer dan zijn we nog wel eens geneigd om te zeggen: “eigen schuld, dikke bult.”
Er bestaat ook een mogelijkheid om daders en slachtoffers in een andere, voor velen misschien wel ongewone of zelfs niet bespreekbare samenhang te zien.
Ik spreek regelmatig over begrippenparen die elkaars tegengesteldheden zijn en derhalve bestaan op basis van de wetmatigheden tegengesteldheid (polariteit), verwantschap (affiniteit) en weerklank (resonantie).
Dader en slachtoffer vormen ook zo’n begrippenpaar.
Wij vinden het rechtvaardig wanneer slachtoffers de daders aanwijzen als veroorzakers van het misdrijf en wij vinden het onrechtvaardig wanneer daders anderen, zoals b.v. opvoeders, school, overheid, verkeerde vrienden of omstandigheden, die volgens eigen opvatting buiten hen zelf liggen, als schuldigen aanwijzen.
Het begrippenpaar dader/slachtoffer vormt esoterisch gezien (hetgeen zoveel betekent als de onwetenschappelijke manier om de werkelijkheid te beschouwen) een onscheidbare éénheid, die de mens op zich niet kan verbreken.
Alle inspanningen die gericht zijn op één van beide polen, zullen tegelijkertijd hun evenredige uitwerking hebben op de andere pool. Ze zullen elkaar evenredig in balans houden, hoe je het ook wendt of keert.
“Wie bewust het ene voedt, voedt onbewust evenredig het andere” zegt een esoterische wijsheid.
Voor de meesten van ons is dit onbegrijpelijk en misschien ook wel onacceptabel.
Wij willen toch altijd slachtoffers helpen, troosten, het gevoel van onveiligheid wegnemen, terwijl wij de daders harder willen straffen, langer willen opsluiten, meer willen laten betalen enz?
Wij zijn tégen geweld, criminaliteit, oorlog enz., terwijl we vóór verdraagzaamheid, veiligheid en vrede zijn.
De zg. exacte bewijzen voor deze tegengesproken beweringen steunen in werkelijkheid op waarnemingen van samenhangen, de correlaties.
Bij een beroving is het de overvaller die het slachtoffer beroofde en dus wordt de overvaller uiteraard gezien als de dader. Bij een auto-ongeval is het de dronken bestuurder, die geen voorrang verleende en dus zien wij hem als directe oorzaak van het ongeval. Bij de mond- en klauwzeercrisis wordt het virus als directe veroorzaker aangewezen. Als iemand wordt mishandeld is dat in andermans ogen heel vaak “zonder enige aanleiding” en is de aanvaller zonder meer de oorzaak van het zinloos geweld.
Op het functionele vlak is er altijd een verklaring.
Er zijn tegenwoordig steeds meer mensen, ook binnen de overheid, scholen, bedrijven e.d. die dit soort zaken in een groter verband gaan zien. Men ziet het steeds meer als een sociaal/maatschappelijk probleem, waar wij gezamenlijk verantwoordelijkheid voor dragen.
Zodoende heeft de functionele verklaring een diepere betekenis gekregen en nadert hij allengs de interpretatie van de gebeurtenissen op een “inhoudelijk” niveau. Het zijn niet meer alléén de uiterlijke vormen die betekenis krijgen.
De wetten van affiniteit en resonantie zorgen ervoor dat wij nooit met iets in contact komen, waarmee we niets te maken hebben en dat wij derhalve onze eigen “ongevallen” en “gebeurtenissen” als het ware uitzoeken, ook al zijn we ons daar niet van bewust.
Dat klinkt op het eerste oog erg tegenstrijdig en bij een dergelijke beschouwing wordt er direct geroepen: “ ja maar, wat krijgen we nou, ik heb dit toch niet gewild, ik heb er toch niet om gevraagd beroofd te worden, om slachtoffer te worden?”
Functioneel gezien is deze vraag gerechtvaardigd; inhoudelijk beschouwd zijn wij het toch zelf, die de verantwoordelijkheid dragen voor alles wat ons in het leven overkomt. Hier zijn emoties als leuk prettig, vervelend, bedreigend of beangstigend, persoonlijke innerlijke gevoelens, die met de mens persoonlijk te maken hebben en niet met die gebeurtenissen.
De mens is dader en slachtoffer tegelijk. Wij zien steeds alleen maar één aspect van het begrippenpaar en het hangt er dus vanaf in welke positie wij ons bevinden om te bepalen of wij dader of slachtoffer zijn. Met welk gemak zeggen wij niet: “als je met zoveel geld op straat loopt dan vraag je er om beroofd te worden.”
Sommige mensen maken onbewust wel eens een opmerking die de samenhang verduidelijkt.
Bij een overval waarbij veel geld en kunstwerken werden gestolen zei het slachtoffer op een bepaald moment zomaar ineens: “ misschien ben ik het zelf schuld, ik ben ook zo hebzuchtig, als ik iets zie dat ik mooi vind, moet ik het hebben, wat het ook kost; ik hecht enorm veel waarde aan de dingen die ik heb verzameld, eigenlijk kan ik niets missen.”
Als je de samenhang tussen de begrippen dader en slachtoffer goed begrijpt, krijgen die woorden van dat slachtoffer een heel bijzondere betekenis. Het slachtoffer etaleert hier onbewust en vooral eerlijk zijn eigen hebzucht en materialisme en zou zich feitelijk niet hoeven te verbazen dat hij beroofd wordt.
De dader toont eveneens een vorm van hebzucht en materialisme. Zodoende zou je de beroving op zich kunnen zien als een karikatuur van karaktereigenschappen.
Een andere oosterse wijsheid zegt: Tat tvam asi”, hetgeen letterlijk betekent:
“Gij zijt dat en dat is U”.
Esoterisch gezien wordt hiermee bedoeld dat de toeschouwer in alles wordt weerspiegeld en dat alles in hem wordt weerspiegeld. In die zin zijn slachtoffer en dader elkaars spiegelbeeld.
Soms zijn we daar erg duidelijk in wanneer wij zeggen: “ Kijk maar eens in de spiegel.”
Uiteraard zijn deze beschouwingen geen enkele “legitimatie” voor willekeurig gedrag van wie dan ook en rechtvaardigen ze op geen enkele wijze die gewelddadige beroving of welk crimineel gedrag dan ook. Het is ook niet zinvol om ongevraagd met een slachtoffer of een dader een gebeurtenis op deze manier te gaan bespreken. Het zijn beschouwingen, interpretaties die net zoveel bestaansrecht hebben als de functionele verklaringen.
Om ze voor iemand nuttig te maken, zal de bewustzijnstoestand ongeveer gelijkwaardig moeten zijn aan het niveau van de kennis over dit onderwerp.
Het vergt van politiemensen erg veel zelfkennis om dader en slachtoffer op deze manier te gaan bekijken. Werkdruk, spanningen, persoonlijke ingesteldheid, wetten en regels maken het voor de individuele mens erg ingewikkeld om zich überhaupt zodanig in te stellen.
In de eerste plaats zal men zich ervoor moeten kunnen, willen en vooral durven openstellen.
Wie doet dat heden ten dage nog binnen politiekringen?
Wellicht zou er in de toekomst binnen de opleidingen wat meer ruimte gecreëerd kunnen worden voor het verkrijgen van meer inzicht in de persoonlijke ontwikkeling van de student, zodat deze tijdens de uitoefening van zijn of haar beroep niet zo snel meer voor onaangename verrassingen komt te staan.
Dan hoeft er niet meer geroepen te worden:
“Waarom overkomt mij dat nu?”